
De Europese auto-industrie maakt een van de meest kritieke periodes in haar recente geschiedenis door. De overgang naar elektrische auto's kost meer dan verwacht, er is agressieve concurrentie uit Azië en de Europese regelgeving wordt als te rigide beschouwd. Deze keer hebben twee zwaargewichten uit de sector, Volkswagen en Stellantisdie besloten hebben om met één stem te spreken om te proberen de loop der gebeurtenissen te veranderen.
In een open brief die gelijktijdig in verschillende grote Europese media is gepubliceerd, stellen de hoofden van de twee groepen, Oliver Blume en Antonio Filosa, een harde diagnose, maar vooral een strategie die volgens hen essentieel is om de industriële toekomst van het oude continent te behouden.
De auto-industrie onder constante druk
De auto-industrie is goed voor ongeveer 8 % van het BBP van de Europese Unie en voorziet in het levensonderhoud van bijna 13 miljoen mensen. Toch leek dit ecosysteem nog nooit zo kwetsbaar. De hoofden van Volkswagen en Stellantis wijzen op een fundamentele paradox: negen van de tien auto's die door hun groepen in Europa worden verkocht, worden daar geproduceerd, maar deze modellen moeten nu concurreren met geïmporteerde modellen, die aan veel minder sociale, milieu- en wettelijke beperkingen zijn onderworpen.
De overgang naar elektrische voertuigen heeft deze onbalans versterkt. Europese consumenten vragen terecht om betaalbare elektrische auto's, een essentiële voorwaarde voor massale invoering van deze technologie. Maar hoe meer de prijzen moeten dalen, hoe groter de verleiding om belangrijke onderdelen, met name batterijen, te importeren uit Azië, waar de kosten veel lager zijn.
De batterij- en productiekostenval
Voor Blume en Filosa is de batterij het symbool van het Europese dilemma. Autofabrikanten investeren miljarden om een lokale industrie te ontwikkelen, maar stuiten op een harde economische realiteit: productie in Europa is duur. En een betaalbare elektrische auto is niet opgewassen tegen onderdelen met een hoge toegevoegde waarde die lokaal worden geproduceerd. Dit mechanisme creëert een vicieuze cirkel. Om concurrerend te blijven, importeren fabrikanten. Door te importeren verzwakken ze de Europese industriële soevereiniteit. En door deze soevereiniteit te verzwakken, wordt Europa nog afhankelijker van externe leveranciers, vooral Chinese.
"Gemaakt in Europa
Om deze impasse te doorbreken, stellen Volkswagen en Stellantis een duidelijke strategie voor: het opzetten van een echt "Made in Europe"-kader. Het idee is niet om de markt af te sluiten, maar om de spelregels opnieuw in evenwicht te brengen. Voertuigen die bestemd zijn voor de Europese markt zouden moeten voldoen aan precieze lokale productiecriteria, die niet alleen betrekking hebben op assemblage, maar ook op elektromotoren, batterijcellen en belangrijke elektronische onderdelen. Modellen die aan deze criteria voldoen, zouden concrete voordelen genieten: prioritaire toegang tot overheidssteun, aankoopbonussen en zelfs specifieke erkenning bij de berekening van de CO₂-doelstellingen. Een aanpak die de huidige financiële sancties zou omzetten in stimulansen om op Europese bodem te investeren.
Europese regelgeving contraproductief geacht
Antonio Filosa maakt er geen geheim van dat zijn frustratie over de huidige Europese regelgeving. Volgens hem zijn de doelstellingen voor het terugdringen van de CO₂-uitstoot vastgesteld op basis van een snellere transitie dan daadwerkelijk op de markt is waargenomen. Het resultaat: miljarden euro's vastliggen in afwachting van boetes, ten koste van productieve investeringen. Stellantis heeft bijna een half miljard euro gereserveerd voor boetes met betrekking tot lichte bedrijfsvoertuigen. Volgens Filosa zouden deze bedragen veel beter gebruikt kunnen worden om fabrieken te financieren, ingenieurs aan te werven en nieuwe technologieën te ontwikkelen. Hij roept daarom op tot een realistische herziening van de doelstellingen, waarbij de Europese fabrikanten meer tijd krijgen.
Tussen de Verenigde Staten en Europa, twee tegengestelde visies
Het contrast met de Verenigde Staten is frappant. Daar investeert Stellantis massaal, gesteund door een duidelijk industriebeleid en transparantere regels. In Europa daarentegen is er sprake van industriële overcapaciteit, een zwakke vraag en regelgevingsonzekerheid ambities. Antonio Filosa houdt echter vol dat de groep het continent niet heeft opgegeven. Er zijn onlangs tien nieuwe modellen gelanceerd in Europa en de investeringen gaan door. Maar hij waarschuwt dat het groeipotentieel beperkt zal blijven, tenzij de regelgeving wordt aangepast.
Europese industrie op een tweesprong
Blume en Filosa benadrukken één punt: hun voorstel is niet protectionistisch. Het gaat niet om het opwerpen van barrières, maar om het versterken van de veerkracht van Europa op strategische onderdelen. In een tijd waarin technologie en handel geopolitieke wapens worden, moet Europa kiezen of het louter een markt wil blijven of opnieuw een echte industriële macht wil worden. De boodschap is duidelijk. Zonder een snelle reactie dreigt Europa niet alleen zijn concurrentievermogen te verliezen, maar ook zijn historische knowhow.
Nou... ze willen er allebei geld voor terug. En in het geval van Filosa is hij een hypocriete Trumpist die geen moer geeft om Italië of Europa, zoals we ons inmiddels hebben gerealiseerd. Hij had in de Verenigde Staten moeten blijven.